Zal ik toch even kijken? Gewoon om mijn twijfel weg te halen? Maar als ik kijk dan zal hij mijn ogen in zijn rug voelen prikken. Als ik één ding zeker weet dan is het dat die onzichtbare draad die ons samen verbindt nooit zal verdwijnen. De gedachte dat hij nu misschien zo dicht bij me is, verlamt me. Kan ik in het dagelijks leven goed functioneren wetende dat hij minimaal tachtig kilometer van me verwijderd is, nu hij zich misschien op nog geen vijftig meter afstand van mij bevindt, raak ik volledig van slag. Ik moet weg. Nu! Ik grijp mijn portemonnee, mijn telefoon, sla mijn pareo om en loop richting de kleine uitspanning waar koffie, broodjes en snacks worden verkocht. Ik bestel een kopje koffie en een broodje kroket, ga op het terras zitten en kauw zonder te proeven. Ik moet tot rust komen, relativeren. Die man kan niet ‘mijn’ man zijn. Niet op mijn strand, in mijn buurt. Waarom laat ik mij zo uit mijn evenwicht brengen?
Mijn gedachten gaan terug naar acht jaar geleden, dat ene cruciale moment waarop we elkaar niet begrepen, in het donker tastend naar de draad die ons verbond, maar die we beide niet konden vinden. Het werd te duister, voor ons allebei. Pas na maanden vond ik bij mezelf het uiteinde aan mijn kant van de draad en pakte het op. De draad terug volgend naar hem. Ziek van gemis, vol van hoop. Hij wees mij niet af. Hij zweeg. Hij zag het uiteinde van zijn draad en trapte er welbewust op. Mij negeren was makkelijker voor hem, pijnvoller voor mij en dat was wat ik moest voelen, pijn. Hij genoot ervan.